
“Ik neem altijd de trap, ik heb een hekel aan de lift”
Op de vraag hoe het bevalt in Het Gastenhuis hoeft Bram niet lang na te denken. "Ik heb het hier heel goed naar mijn zin. Het is hier schoon, het eten is goed en ik heb niets te klagen." Vooral de warme sfeer spreekt hem aan. "Ik heb hier mensen om me heen en ik slaap er goed. Ik heb ook een mooie kamer, daar ben ik me heel bewust van op mijn leeftijd."
Een dagelijkse taak die hij met plezier heeft losgelaten is boodschappen doen. "Daar heb ik altijd al een hekel aan gehad. Ik hoef dat hier nooit meer te doen en dat vind ik heerlijk."
Al zijn hele leven houdt Bram van bewegen en dat is in Het Gastenhuis niet anders. "Ik neem altijd de trap. Ik heb echt een hekel aan de lift." Ook wandelen doet hij nog dagelijks. “Ik loop nog steeds heel graag en ik fiets ook graag." Autorijden heeft Bram daarentegen nooit iets mee gehad. Op aanraden van zijn buurman deed hij zijn auto jaren geleden al weg. "Hij zei tegen me: Bram, schaf die auto toch af, want men ziet je toch alleen maar fietsen of lopen. Hij had gelijk, dus ben ik naar de garage gegaan en heb ik de auto verkocht. Ik fiets veel liever." Ook het steeds drukkere verkeer speelde mee in die beslissing. "Ik dacht: ik stop hier beter mee voordat er ongelukken gebeuren."
Voordat Bram in Het Gastenhuis kwam wonen, stond hij maar liefst 42 jaar voor de klas. Hij gaf er niet één, maar vier vakken: Frans, Engels, geschiedenis en godsdienst. Elke maandagochtend gaf hij zijn leerlingen eerst een kwartier de tijd om elkaar bij te praten over het weekend, voordat de les goed en wel begon. Ze hadden elkaar in het weekend niet gezien of gesproken, en Bram vond het belangrijk dat ze dat eerst samen konden delen. "Ik liep dan zelf maar even op de gang," vertelt hij, "want daar wilde ik niet bij zijn”. Na een kwartier of twintig minuten kwam hij dan de klas weer in. "Jongens, zei ik dan, nu gaan we beginnen. En daar waren ze blij mee." Hij bewaarde bewust een zekere afstand tot zijn leerlingen, iets wat volgens hem juist zorgde voor rust en wederzijds respect. Zijn voornaam hield hij het liefst geheim. "Ik was hun vriend niet, dat wisten ze wel. Ze wisten alleen dat mijn naam met een A begon."
Tijdens zijn lessen maakte Bram ruimte voor een goed verhaal. Had de dominee op zondag een mooie preek gehouden, dan klapte hij tijdens de godsdienstles gewoon de lesboeken dicht. "Ik zei dan: ik ben gisteren naar de kerk geweest en ik heb daar een verhaal gehoord en dat wil ik jullie vertellen. Dat is veel beter dan uit een boekje." Zijn leerlingen luisterden dan ook altijd goed, vertelt hij met een glimlach.
Nog altijd loopt hij weleens oud-leerlingen tegen het lijf en daar geniet hij zichtbaar van. "Het eerste wat ik altijd vraag, is: wat ben je geworden? Dat vind ik het allerleukste om te horen." De antwoorden verrassen hem soms nog. Zo werd de een dominee en een ander vertrok naar Azië en werd daar inspecteur van het onderwijs. "Daar kijken ze best hoog tegen zo iemand op," zegt hij trots. Tweeënveertig jaar onderwijs en zijn leerlingen is hij nooit vergeten. "Het onderwijs zelf mis ik niet, hoor. Maar de leerlingen wel."
Wat Bram het meeste geluk brengt is zijn familie. Hij is niet alleen vader en grootvader, maar inmiddels ook overgrootvader. Rond de geboorte van zijn jongste achterkleinkind schreef hij een persoonlijke brief voor als z'n achterkleinkind tien wordt. "Ik heb geschreven dat ik er misschien niet meer zal zijn als zij deze brief ooit leest. Maar dat ze in ieder geval weet dat ik haar heb leren kennen. Zij mij niet, maar ik haar wel."
Het is een verhaal dat past bij hoe Bram in het leven staat: rustig, met humor, en oprecht dankbaar voor wat hij heeft. "Met de kinderen gaat het goed, met de kleinkinderen ook. Dan heb je niets meer te klagen. Ik ben hier een gelukkig mens."