
Tandarts To van der Veen-le Grand uit Winschoten maakt kunst van kiezen
Op de grond ligt een abstracte prent. Paars, blauw, oranje, golvende lijnen, organische vormen. Een landschap misschien, of een gestileerde rivierdelta. Dan wijst To van der Veen-le Grand naar een witte vorm. „Dit is toch wel heel bijzonder”, zegt ze. „Ja, dit is een molaar.”
Een wat? „Een molaar. Een kies.” En inderdaad, als je goed kijkt dan zie je het. De ronde vormen blijken tanden, kiezen, een kaaklandschap. Anatomie vermomd als abstracte kunst. Het is het soort beeld waarvan je denkt: hoe komt iemand erop? Het antwoord zit verscholen in een leven van 96 jaar, waarin tandheelkunde en kunst voortdurend naast elkaar bestonden.
Geheugen
Van der Veen-le Grand woont tegenwoordig in Het Gastenhuis in Roden, een kleinschalige woonvoorziening voor mensen met dementie. Haar geheugen laat haar soms in de steek. Namen, data en precieze gebeurtenissen zijn wat weggezakt. Maar sommige dingen zijn gebleven. De liefde voor kunst bijvoorbeeld. En de herinnering aan haar man Jon, die haar jarenlang overal heen bracht. Regelmatig komt zijn naam terug in het gesprek. „Dat lijkt heel eenvoudig”, zegt ze. „Maar dat was het niet altijd. Er zit altijd een hele organisatie achter.”
Tandheelkunde
Van der Veen werd in 1930 geboren in Winschoten. Toen ze ging studeren, verhuisde ze naar Groningen. Daar zou ze vrijwel haar hele verdere leven blijven wonen. Eigenlijk wilde ze aanvankelijk iets anders. Haar oudere zus Lenie studeerde geneeskunde. Mogelijk wilde To dezelfde kant op, herinnert haar familie zich. Zelf weet ze dat niet meer precies. „O, wat grappig”, zegt ze als het ter sprake komt. „Dat weet ik helemaal niet meer.” Het werd uiteindelijk tandheelkunde. Waarom precies? Ze denkt even na. „Die techniek van dat gieten en zo, dat vond ik toch wel interessant.”
Na haar opleiding kwam ze terecht in de schooltandverzorging. Dat was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een snel groeiend onderdeel van de gezondheidszorg. Nederland kreeg langzaam welvaart. „Na de oorlog werd er ontstellend veel snoep gegeten”, zegt Van der Veen. „Vooral die kindergebitten konden daar niet tegen.” Met een dentalbus trok ze langs scholen. „Dan gingen we die scholen allemaal langs. Dat was hoognodig.” De bus werd bestuurd door assistentes met een vrachtwagenrijbewijs. Zelf hoefde ze niet achter het stuur. „Dat vond ik wel prima”, zegt ze met een glimlach. Wat haar altijd verbaasde, was het begrip van de kinderen zelf. „Zo’n behandeling was natuurlijk niet prettig. Maar die kinderen begrepen dat. Ze wisten dat ze veel snoep aten en dat dat risico’s gaf.”
Schilderende tandarts
Later werkte ze in het Academisch Ziekenhuis, het huidige UMCG, waar ze colleges gaf over tandheelkunde en orthodontie. Maar intussen was er altijd nog iets anders. Van der Veen hield van dingen maken, tekenen, knutselen. Thuis beschikte het gezin vroeger over een souterrain waar van alles gebouwd en vervaardigd kon worden. „Daar kon je alles knutselen en timmeren. Dat heb ik veel gedaan.” Niet dat ze daar beroemd mee wilde worden, of dingen wilde verkopen. Het plezier stond voorop. „Het was toch altijd wel mijn hobby.”
Die creatieve kant bleef aanwezig, ook toen ze als tandarts werkte en getrouwd was met Jon van der Veen, aanvankelijk tandarts en later kaakchirurg, ook in het Academisch Ziekenhuis Groningen. Op enig moment begon ze lessen te volgen aan kunstacademie Minerva. Wanneer precies weet ze niet meer. „Dat kan best een avondcursus zijn geweest.” Wat ze nog wél weet: haar man bracht haar altijd „Ik had het geluk dat ik een echtgenoot had die mij telkens naar de stad bracht en weer ophaalde.” Het klinkt als een klein detail, maar juist daar legt Van der Veen opvallend veel nadruk op. Niet zozeer op haar eigen talent of ambitie, maar op de praktische voorwaarden die het mogelijk maakten. „Anders had ik dat nooit kunnen doen.”
Het is een observatie die wonderwel aansluit bij actuele discussies in de kunstwereld. Musea en kunsthistorici besteden de laatste jaren steeds meer aandacht aan kunstenaars die lang buiten beeld bleven. Aan vrouwen, autodidacten, mensen die naast hun kunst een ander beroep hadden. De traditionele kunstgeschiedenis vertelt vaak het verhaal van een reeks grote genieën: Van Gogh, Picasso, Matisse. Maar steeds vaker klinkt de vraag: wie kreeg eigenlijk de kans om zich volledig aan kunst te wijden? En wie niet? Die vraag staat ook centraal in de tentoonstelling The Architect & the Housewife die nu te zien is in het Groninger Museum, en waarin aandacht wordt gevraagd voor makers wier bijdragen lange tijd onzichtbaar bleven. Van der Veen heeft die theoretische discussie nooit expliciet gevoerd. Toch raakt haar levensverhaal er direct aan. Ze was vrouw, getrouwd, had een veeleisend beroep. Ze maakte kunst naast alles wat er verder gebeurde. En bovenal: „Ik had het voordeel dat ik er niet van hoefde te leven.”
Tante Fie
Nog iets verbindt haar met die bredere herwaardering van vergeten kunstenaars. Ze is namelijk een nicht van Afiena Goudschaal (1877-1956). Zij was een Groningse kunstenares die gedurende haar leven een zekere reputatie opbouwde met portretten, stillevens en vooral miniaturen. Zelfs koningin Wilhelmina liet werk door haar maken. Toch verdween haar naam na haar dood grotendeels uit beeld. Van der Veen beheert al tientallen jaren de nalatenschap van ’tante Fie’, zoals zij Goudschaal noemt. Ongeveer dertig jaar geleden kwam een groot deel van het oeuvre bij haar terecht.
„Het was een aardige tante.” Meer heeft ze er eigenlijk niet over te zeggen. Maar zonder haar inspanningen zou de recente tentoonstelling over Goudschaal in Museum Borg Verhildersum (nog tot en met 1 november 2026 te zien) waarschijnlijk niet mogelijk zijn geweest. Dat maakt de ontdekking extra bijzonder. Aan het einde van die expositie hangt namelijk óók werk van Van der Veen zelf. Twee abstracte houtdrukken. Bescheiden tussen al het andere werk. Maar opvallend genoeg om nieuwsgierigheid te wekken.
Tanden als landschap
Wat Van der Veen maakt, verschilt sterk van het werk van haar tante. Waar Goudschaal figuratief werkte en herkenbare portretten schilderde, koos Van der Veen juist vaak voor abstractie. Grafische beelden. Experimenten met vorm. En ergens onderweg kropen de tanden naar binnen. Hoe dat precies gebeurde? Ze weet het zelf niet „Ja, ik weet het niet. Je doet maar wat.”
Dat klinkt nonchalant, maar helemaal zomaar ontstond dat natuurlijk niet. Jarenlang keek Van der Veen beroepsmatig naar tanden, kiezen, kronen, beugels en implantaten. Met haar kunstenaarsblik herkende ze hierin artistieke vormen. „Met die rij witte dingen kun je wel spelen”, zegt ze. Dat spelen resulteerde in verrassende beelden. Kiezen worden rotsformaties. Gebitten veranderen in landschappen. Mondholtes worden abstracte composities. Nergens illustratief of letterlijk. Maar altijd aanwezig voor wie goed kijkt.
Precisiewerk
Of tandarts en kunstenaar iets gemeen hebben? Van der Veen denkt even na. Dan knikt ze. „Een enkele keer wel.” Vooral vanwege de nauwkeurigheid. „Dat tandartswerk moest altijd heel precies gebeuren.” Dat zit ook in haar werk. Bij een houtsnede maakt iedere millimeter verschil, wegsnijden kan maar één keer. „Of dat dingetje dan weg moet of niet.” Ze lacht. „Nou ja, Spielerei.” Het woord zegt veel over hoe ze haar werk ziet. Niet als verheven kunst, een missie of een carrière. Eerder als een voortdurende nieuwsgierigheid.
Espen
In Epse, Gelderland, bezaten To en Jon van der Veen sinds 1974 een vakantiehuis. Daar had ze ook een atelier, een plek waar ze kon werken. Nog altijd bevindt zich daar werk. „Daar ligt nog een hele hoop”, vertelt familie. Vooral de periode na haar pensioen in 1990 was Van der Veen bijzonder productief. Haar werk veranderde ook, zo is ze veel naaktmodellen gaan schilderen. „Ik heb daar heel veel plezier aan gehad.” Van der Veen is opvallend weinig bezig met haar eigen erkenning. Ze praat liever over andere kunstenaars, over kleine musea of over ondersteuning. Regelmatig schenkt ze geld aan culturele projecten. Zo ondersteunt ze Museum Borg Verhildersum, en maakte ze in 2023 de aanschaf mogelijk van een wandkleed van de Italiaanse ontwerper Andrea Branzi, door het Groninger Museum.
Ze heeft de kunst en kunstenaars in het Noorden altijd een warm hart toegedragen. Waarom? Omdat ze weet wat waardering betekent. „Dat geeft een gevoel van erkenning.” Ze vertelt hoe kunstenaars soms enthousiast reageren wanneer iemand werk koopt of belangstelling toont. Niet vanwege het geld, maar omdat iemand het ziet. Omdat iemand begrijpt dat er werk, tijd en aandacht in zit. Het is een gedachte die ook op haar eigen oeuvre van toepassing is. Nog steeds ligt dat grotendeels verborgen in mappen, laden en opslagruimtes. Maar dat er nu iemand is langsgekomen om er speciaal naar te komen kijken, stemt haar zichtbaar vrolijk. „Trek gerust meer lades open hoor, ga uw gang.”
Aan het einde van het gesprek blijkt er nóg een stel ’kaaklandschappen’ verborgen in een lade. Kunstwerken die in de jaren 70 ontstonden, maar verrassend hedendaags ogen. Het soort werk dat tegenwoordig moeiteloos aansluiting zou kunnen vinden bij tentoonstellingen over vergeten makers, vrouwelijke kunstenaars en de grens tussen vakmanschap en beeldende kunst. Terwijl musea wereldwijd druk bezig zijn de canon te herschrijven, blijkt in een verzorgingshuis in Roden iemand te wonen die daar al die tijd ongemerkt deel van uitmaakte. Een tandarts die kunst maakte. Een kunstenaar die tandarts was. En die zelf geen onderscheid lijkt te maken tussen die twee. Van der Veen kijkt uit het raam. De lage vensterbank geeft vrij zicht op de tuin. Even later verdwijnen de prenten weer terug in de lade. Werk dat jarenlang verborgen bleef, maar dat de tand des tijds opvallend goed lijkt te hebben doorstaan.
Met medewerking van Otto le Grand.
Geschreven door Arjan Reinders van Dagblad van het Noorden
Originele artikel: Tandarts To van der Veen-le Grand maakte kunst van kiezen | Dagblad van het Noorden